Een mediavormgever gebruikt allerlei materialen en technieken om ideeën, verhalen en ontwerpen zichtbaar te maken.
Je leert werken met grafiet- en kleurpotlood, fineliners, markers, aquarel en digitaal tekenen. Elk materiaal heeft zijn eigen mogelijkheden en helpt je om verschillende sferen, stijlen en effecten te creëren.
Daarnaast ontdek je hoe je diepte en ruimte in een tekening kunt weergeven met technieken zoals dieptetekenen en vluchtpuntperspectief. Zo bouw je stap voor stap aan de basisvaardigheden die je nodig hebt om jouw creatieve ideeën om te zetten in sterke ontwerpen.
Je leert met grafiet- en kleurpotlood realistische tekeningen maken, verschillende materialen en texturen weergeven en een creatief idee uitwerken van schets tot eindresultaat.
Oefening grafietpotlood (30 min)
1. Gradatiebalk
Maak een balk van licht naar donker. Begin licht en werk langzaam naar het donkerste gedeelte. Probeer een vloeiende overgang te maken.
2: Basisvormen met schaduw en structuren
Teken drie basisvormen, zoals een bol, kubus of cilinder, en geef ze schaduw zodat ze ruimtelijk lijken. Werk elke vorm vervolgens uit met een andere textuur, zoals metaal, hout, glas of stof. Gebruik alleen grafiet en zorg dat de materialen duidelijk van elkaar verschillen.
Opdracht 1 (90 min)
Hyperrealistische grafiettekening
Kies één van de voorbeeldfoto’s van een metalen voorwerp, trek de basisvorm netjes over en werk de tekening uit met verschillende grafietpotloden.
· Bouw op van licht naar donker.
· Let op reflecties en details.
· Geen omtreklijnen
· Probeer dezelfde stofuitdrukking als op het voorbeeld te krijgen.
· Gebruik verschillende hardheden grafietpotlood.
· Formaat: A4
Materiaalcirkels
Teken vier cirkels en vul elke cirkel met een ander materiaal, zoals metaal, hout, glas, steen, vacht of stof.
Probeer de eigenschappen van elk materiaal zichtbaar te maken met kleurpotlood. Let op licht en schaduw, kleurverloop en structuur. Experimenteer met laagjes en drukverschil om verschillende effecten te ontdekken.
Combineer twee alledaagse voorwerpen tot één nieuw object. Zorg ervoor dat beide vormen zichtbaar samensmelten tot één geheel.
Kies bijvoorbeeld:
Lamp ↔ bloem
Schoen ↔ vis
Theepot ↔ insect
Klok ↔ oog
Stoel ↔ boom
Schaar ↔ vogel
Onderzoek hoe de vormen in elkaar kunnen overlopen, bijvoorbeeld een vogel waarvan de vleugels scharen zijn of een visvormige schoen met vinnen en veters. Maak eerst drie kleine schetsen en kies daarna je beste idee en werk dit op A4 formaat uit.
Gebruik kleurpotlood om de texturen, licht, schaduw en details uit te werken. Let op een zorgvuldige opbouw in laagjes en probeer de verschillende materialen zo herkenbaar mogelijk weer te geven.
Leg alle tekeningen bij elkaar op een tafel of de grond en bekijk elkaars werk. Bespreek samen:
Welke tekening oogt het meest realistisch en waarom?
Welke materialen of texturen zijn goed uitgewerkt?
Waar zie je het sterkste gebruik van licht, schaduw, contrast of kleur?
Wat maakt een tekening sterk in uitstraling en techniek?
Geef elkaar tot slot één compliment en één tip.
Experimenteer met verschillende technieken en leer hoe je contrast, structuur en sfeer aanbrengt in je tekeningen.
Gradatiebalken
Maak vier gradatiebalken van licht naar donker met:
Rechte lijnen
Kruisarcering
Stippelen
Krularcering
Gebruik hiervoor verschillende finelinerdiktes.
opdracht 1: Portret in Arcering (105 min)
Gebruik je meegebrachte portretfoto (A4, grijswaarden) als basis voor deze opdracht. Werk het portret uit met fineliner en gebruik arceringen om licht, donker en diepte weer te geven.
Kies één van de volgende mogelijkheden:
Optie 1 – Gehele portret
Trek het volledige portret licht over met potlood (H) en werk alle schaduwen en details uit met een arceertechniek naar keuze.
Optie 2 – Gescheurd portret
Scheur of knip het portret doormidden. Plak één helft op een nieuw A4-blad en teken de ontbrekende helft opnieuw. Werk deze volledig uit met fineliner arceringen.
Let op:
Gebruik verschillende finelinerdiktes.
Werk van licht naar donker.
Geen omtreklijnen!
Gum alle zichtbare potloodlijnen weg.
Werk netjes en consequent.
Om de technieken te leren gebruiken maken we eerst een aantal korte studies.
· Lijndiktes
Experimenteer met de beitelpunt en maak dunne, dikke en wisselende lijnen.
· Kleurverlopen
Maak met één marker een verloop van licht naar donker door in lagen te werken.
· Kubussen
Maak twee kubussen:
één met kleur en grijsmarker;
één met alleen kleur.
Focus op licht, schaduw en volume.
· Ontwerp een kwast
Ontwerp een eigen kwastvorm en werk deze uit met licht, schaduw en kleur.
opdracht 2: Balloon Dog Rendering (90min)
Voor deze opdracht maak je een rendering van een Balloon Dog van Jeff Koons op A4-formaat.
Een rendering is een uitgewerkte tekening waarin je laat zien hoe een object er in werkelijkheid uitziet. Je gebruikt licht, schaduw, kleurverlopen, reflecties en materiaalweergave om een object ruimtelijk en realistisch te laten lijken. Het doel is niet om de Balloon Dog perfect na te tekenen, maar om de glanzende uitstraling zo overtuigend mogelijk weer te geven.
Let tijdens het tekenen op:
Waar het licht op het object valt.
Waar de donkerste schaduwen ontstaan.
Hoe reflecties zichtbaar zijn in het oppervlak.
Hoe kleurverlopen de ronde vormen versterken.
Hoe contrast zorgt voor een glanzend effect.
Werkwijze
Trek de tekening netjes over.
Breng de basiskleur aan met markers.
Werk van licht naar donker en bouw de schaduwen op in lagen.
Voeg kleurverlopen en reflecties toe.
Werk details verder uit met kleurpotlood.
Gebruik wit potlood, een posca stift of spaar het wit uit voor de sterkste hooglichten en glanseffecten.
Bekijk de werken en bespreek:
Welke technieken zijn gebruikt (arcering, lijnen, texturen)?
Hoe zijn licht, schaduw en contrast toegepast?
is het materiaal (glans, reflecties, kleurverloop) overtuigend?
Komt de vorm ruimtelijk over?
Geef feedback volgens Top – Tip – Top:
Top: Wat werkt goed?
Tip: Wat kan beter?
Top: Wat is sterk aan het eindresultaat?
Sonia Delaunay
2 uur
Je leert een stukje geschiedenis van het gebruik van aquarelverf in de kunst.
Je leert basis technieken van de aquarel techniek.
Opdracht 1. Cirkels schilderen in verschillende tinten
Doel: Oefenen met lichte en donkere kleuren.
Stappen:
1. Teken vijf cirkels op papier, met dunne waterverf. Met de hand of de bovenkant van een koffiebekertje.
2. Verf de eerste cirkel met veel water en weinig verf.
3. Voeg bij elke volgende cirkel iets meer verf toe.
4. Laat alle cirkels drogen.
5. Laat overlappen.
6. Vergelijk de verschillen in kleursterkte.
Wat leer je?
Verschillende tinten maken met één kleur.
Doseren van water en verf.
Doel: Ontdekken hoe kleuren in elkaar overlopen.
Stappen:
1. Maak een stuk papier nat met schoon water.
2. Breng een kleur aan op het natte oppervlak.
3. Voeg een tweede kleur toe naast de eerste.
4. Kijk hoe de kleuren vanzelf mengen.
5. Laat het werk drogen.
Wat leer je?
Hoe aquarel zich verspreidt op nat papier.
Zachte kleurovergangen maken.
•Bekijk het werk van een klasgenoot en bespreek elkaars werk op onderstaande punten
•Watergebruik
•Is er voldoende controle over de hoeveelheid water?
•Zijn kleuren mooi transparant of juist te dekkend geworden?
•Techniek
•Worden technieken zoals nat-in-nat of nat-op-droog goed toegepast?
•Zijn overgangen vloeiend waar dat gewenst is?
Doel:
Het aanleren van 1-punts en 2-punts perspectief
Het verschil leren tussen lijn perspectief en atmosferisch perspectief
Perspectief in de kunstgeschiedenis
Het perspectief in de teken- en schilderkunst is ontstaan doordat kunstenaars een manier zochten om de wereld realistischer weer te geven.
Ontstaan van het lineaire perspectief
Rond 1400, tijdens de renaissance in Florence, begonnen kunstenaars en geleerden te onderzoeken hoe het menselijk oog diepte waarneemt.
De architect en kunstenaar Albrecht Dürer ontdekte dat evenwijdige lijnen in de verte lijken samen te komen in één punt: het verdwijnpunt. Hierdoor konden kunstenaars een overtuigende illusie van ruimte creëren.
2 uur: 1 punts perspectief
2 uur: 2 punts perspectief
2 uur: atmosferisch perspectief
Hoe werkt het?
Bij lineair perspectief:
staat er één of meer verdwijnpunten op de horizon;
lopen lijnen naar dat punt toe;
lijken voorwerpen kleiner naarmate ze verder weg staan.
Hierdoor ontstaat de indruk van diepte op een plat vlak.
•Denk aan een rechte weg of een spoorlijn.
De randen lijken in de verte naar één punt toe te lopen.
•Hierna volgen 2 perspectief oefeningen op a4 papier
Opdracht : 1 punts perspectief
Opdracht: 2 punts perspectief
Zie stappen plan in powerpoint
Voor deze opdracht heb je 2 uur de tijd.
Verschil tussen Lijnperspectief en Atmosferisch perspectief:
Lijnperspectief
Creëert diepte met lijnen die naar een verdwijnpunt lopen.
Objecten worden kleiner naarmate ze verder weg zijn.
Het gaat vooral om vorm en afmetingen.
Atmosferisch perspectief
Creëert diepte door de invloed van de lucht tussen jou en verre objecten.
Objecten in de verte worden:
minder scherp,
minder contrastrijk,
vaak lichter of blauwer/grijzer,
minder verzadigd van kleur.
Het gaat vooral om kleur, contrast en scherpte.
Doel: Diepte creëren door verschil tussen voorgrond, middengrond en achtergrond.
Stappen:
•Schilder een lichte lucht en laat deze drogen.
•Schilder enkele lichte heuvels of bomen op de achtergrond.
•Voeg een grasveld toe in de middengrond.
•Schilder een grote boom op de voorgrond met donkere kleuren.
•Voeg een schaduw naast de boom toe.
Waar let je op?
•De boom op de voorgrond is groter en donkerder.
•De achtergrond blijft licht en minder
gedetailleerd.
Stappen:
Trek een horizonlijn.
Schilder een lucht met een lichte kleurverloop.
Teken een weg die breed begint onderaan het papier en smaller wordt richting de horizon.
Schilder gras of velden aan beide kanten van de weg.
Voeg enkele kleine bomen of struiken toe in de verte.
Maak objecten op de voorgrond groter dan die in de
achtergrond.
Waar let je op?
Dingen lijken kleiner naarmate ze verder weg staan.
Details verdwijnen geleidelijk in de verte.
Gebruik lichtere kleuren voor de achtergrond.
Leerdoel
Bij deze opdrachten leer je hoe je met aquarel diepte
kunt creëren in een landschap door gebruik te maken van:
-lichtere kleuren in de verte
-donkerdere kleuren op de voorgrond
-grootteverschillen van objecten
-licht en schaduw overlap van vormen
4 uur
Wat is digitaal tekenen met photoshop?
Digitaal tekenen met Adobe Photoshop betekent dat je tekent op een computer of tablet in plaats van op papier.
Met een programma zoals Adobe Photoshop gebruik je een muis of, vaker, een tekentablet met een digitale pen om lijnen, vormen en kleuren te maken.
Het werkt een beetje alsof je met potlood, penseel en verf werkt, maar dan digitaal.
De leerling kan zelfstandig Adobe Photoshop openen, de belangrijkste tekengereedschappen gebruiken en een eenvoudige digitale tekening maken en opslaan.
Aan het einde van de les kan de leerling met het Brush Tool een eenvoudige bollen tekenen met licht en schaduw in Adobe Photoshop.
Aan het einde van de les kan de leerling met het Brush Tool een realistische bollen tekenen met verschillende texturen en oppervlaktes in Adobe Photoshop.
1.Teken 6 bollen
2.Elke bol in een aparte laag
3. Presenteer de bollen alle 6 alsof het op 1 a4 staat. Dus 6 lagen , bollen 2 aan 2 , 3 onder elkaar.
4. Begin met een eenvoudige invulling. Bv. Plastic, biljartbal, kerstbal, zeepbal, bowlingbal, 2 bollen
5. 3 bollen die wat moeilijker zijn, bv. Hout, beton, zalm, vlees, fruit, groente , dierenhuid…
6. 1 bol met blaadjes, boom of struik
Zie stappenplan in de powerpoint
Feedback:
Presenteer het werk netjes bijeen op een “blad” op je computer.
Of nog fijner:
print op a4 door bv. een screenshot te printen.
Bespreek samen met een klasgenoot elkaars werk .
Nette presentatie
Alle bollen even groot
Diverse materialen
Tip en top
Maak een opvallende illustratie op A3-formaat waarin één alledaags object de hoofdrol speelt. Vergroot, vervorm, herhaal of combineer het object om een krachtig beeld te creëren. Voeg een eenvoudige achtergrond toe met bijvoorbeeld vormen, lijnen, patronen of kleurvlakken die de compositie ondersteunen. Je maakt deze illustratie met minstens 3 verschillende materialen waarmee je de afgelopen weken heb t gewerkt.
Voorbeelden: sneaker, koptelefoon, gamecontroller, camera, fiets, horloge, skateboard, zonnebril (of eigen keuze in overleg).
Compositie
Het object is het belangrijkste onderdeel en vult minimaal de helft van het beeld.
Het A3-formaat is volledig benut.
Object en achtergrond vormen samen een sterk geheel.
Achtergrond
Gebruik eenvoudige grafische elementen.
De achtergrond ondersteunt het object en trekt niet meer aandacht.
Zorg voor contrast en laat de achtergrond doorlopen tot de randen.
Techniek
Gebruik minimaal drie materialen waarmee je in de vorige weken hebt gewerkt (grafietpotlood, fineliner, kleurpotlood, marker, aquarel).
Maak 3 thumbnails met verschillende composities.
Kies het sterkste ontwerp.
Werk dit uit op A3-formaat.
Bouw de illustratie op van licht naar donker.
Werk details, materialen en achtergrond zorgvuldig af.
Controleer of het object direct de aandacht trekt en de achtergrond ondersteunend blijft.